Lagerlöf | NielsHolgersson swonderbarereis | E-Book | www.sack.de
E-Book

E-Book, Dutch, Flemish, 168 Seiten

Reihe: World Classics

Lagerlöf NielsHolgersson swonderbarereis


1. Auflage 2018
ISBN: 978-87-26-12003-5
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark

E-Book, Dutch, Flemish, 168 Seiten

Reihe: World Classics

ISBN: 978-87-26-12003-5
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark



Nils haalt veel kattekwaad uit en houdt ervan de dieren te plagen op de boerderij waar hij met zijn gezin woont. Maar wanneer Nils een kabouter vangt, moet hij boeten voor zijn kattekwaad. De kabouter maakt hem net zo klein als hijzelf. De dieren verdrijven hem van de boerderij en op de rug van een gans maakt Nils een lange reis door het verbazingwekkende landschap van Zweden - helemaal van Skåne naar Lapland en weer terug naar Skåne. De wonderbaarlijke reis van Nils Holgersson door Zweden verscheen in 1906 en 1907 in twee delen. Het kinderboek is meerdere keren verfilmd, en vertaald in vele talen. Selma Lagerlöf schreef Nils Holgersson's prachtige reis door Zweden als leesboek voor Zweedse schoolkinderen om geschiedenis en aardrijkskunde te leren. Maar het kinderboek bereikte een veel groter lezerspubliek en werd een van de beroemdste en meest geliefde boeken van Lagerlöf - ook voor een volwassen publiek. Selma Lagerlöf (1858-1940) was een Zweedse auteur en ontving de Nobelprijs voor de Literatuur in 1909. Lagerlöf schreef een groot aantal romans en korte verhalen waarin de natuur, de mensen en het thuis terugkerende thema's zijn.

Lagerlöf NielsHolgersson swonderbarereis jetzt bestellen!

Weitere Infos & Material


I.
De jongen. De kabouter.
Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had ’t meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad. Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk ’t was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar uur lang zijn eigen baas zou zijn. “Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat iemand zich er meê hoeft te bemoeien,” zei hij in zichzelf. Maar ’t scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan, bleef hij staan en keerde zich om. “Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan,” zei hij, “vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil je me beloven, dat je dat doen zult?” “Ja,” zei de jongen, “dat kan ik wel doen.” En hij dacht natuurlijk, dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had. De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde ’t boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die ’t vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht. De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op den jongen toe en zei streng: “Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen, zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt, kom je er niet gemakkelijk af.” “De preek is veertien en een halve bladzij lang,” zei Moeder, alsof ze de maat vol wou maken; “je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je hem uit wilt krijgen.” Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. “Nu loopen ze er zich in te verheugen, dat zij ’t zoo mooi in orde gemaakt hebben, dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet, zoolang ze weg zijn.” Maar Vader en Moeder verheugden zich in ’t geheel niet; integendeel, ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in ’t begin kwamen wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan, en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over, dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren, en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,—hard tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen. “God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,” zei ze. “Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen.” De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het ’t beste was dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde. Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. ’t Was nog niet later in ’t jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente West Vemmenhög, heel in ’t zuiden van Skaane, en daar was de lente al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad stond in bloei aan den kant van den greppel. Al ’t kreupelhout, dat op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend geworden. Het beukenbosch in de verte stond als ’t ware te zwellen, en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien, die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap. “Neen, ik wil niet slapen,” dacht hij, “want dan kom ik er den heelen morgen niet door.” Maar hoe dat nu kwam—hij sliep in. Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders kist openstond. Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist, die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen. Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was, want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. ’t Zou Moeder niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was. Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den spiegel te staren. Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was, die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn oogen bijna niet gelooven. Maar wat in ’t begin maar een schaduw was, werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks was. ’t Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter te paard op den rand van de kist zat. De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud, rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken, dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was. De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg bang werd hij niet. ’t Was onmogelijk om bang voor iemand te worden, die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den deksel dicht te klappen, of zoo iets. Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets, waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen, en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums en fuchsia’s, die in ’t venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing. Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet, hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar beneden, en kon niet naar boven komen. In ’t eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven te kruipen. De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast van zijn vaders horloge. De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem zoo gegaan—nu hij den kabouter in zijn macht had—was hij bang voor hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van...



Ihre Fragen, Wünsche oder Anmerkungen
Vorname*
Nachname*
Ihre E-Mail-Adresse*
Kundennr.
Ihre Nachricht*
Lediglich mit * gekennzeichnete Felder sind Pflichtfelder.
Wenn Sie die im Kontaktformular eingegebenen Daten durch Klick auf den nachfolgenden Button übersenden, erklären Sie sich damit einverstanden, dass wir Ihr Angaben für die Beantwortung Ihrer Anfrage verwenden. Selbstverständlich werden Ihre Daten vertraulich behandelt und nicht an Dritte weitergegeben. Sie können der Verwendung Ihrer Daten jederzeit widersprechen. Das Datenhandling bei Sack Fachmedien erklären wir Ihnen in unserer Datenschutzerklärung.