E-Book, Dutch, Flemish, 341 Seiten
Stone Wat Hij Niet Wist
1. Auflage 2026
ISBN: 978-1-998357-55-0
Verlag: Tektime
Format: EPUB
Kopierschutz: 0 - No protection
Twee Wegen. Eén Conflict.
E-Book, Dutch, Flemish, 341 Seiten
ISBN: 978-1-998357-55-0
Verlag: Tektime
Format: EPUB
Kopierschutz: 0 - No protection
Wat hij niet wist (gebaseerd op echte misdaadverhalen in Griekenland!) speelt zich af in de jaren 1980 en 1990 in Athene, in Griekenland. Kostas en Nikos zijn tweelingbroers die in de steek gelaten worden door de volwassenen in hun leven. Na een traumatische jeugd vol eenzaamheid, hartenpijn, misdaad, pleeggezinnen, mishandeling en gedwongen kinderarbeid vinden ze tegengestelde levenspaden om de pijnlijke wonden die ze opgelopen hebben, te verwerken.
Wat hij niet wist (gebaseerd op echte misdaadverhalen in Griekenland!) speelt zich in de jaren 1980 en 1990 af in Athene, in Griekenland. Kostas en Nikos zijn tweelingbroers die in de steek gelaten worden door de volwassenen in hun leven. Na een traumatische jeugd vol eenzaamheid, hartenpijn, misdaad, pleeggezinnen, mishandeling en gedwongen kinderarbeid vinden ze tegengestelde levenspaden om de pijnlijke wonden die ze opgelopen hebben, te verwerken. Kostas wordt smeris om gerechtigheid te vinden, terwijl Nikos probeert het onrecht uit zijn jeugd te vergelden op zijn eigen manier. In dit ultieme verhaal van aanleg versus opvoeding smacht Nikos ernaar iets anders dan haat en wraak te voelen, terwijl Kostas gewoon alles achter zich wil laten en mensen in nood wil helpen. Wat hij niet wist is een schitterend portret van criminaliteit in Athene in een tumultueuze periode in het leven van de tweeling. Twee mannen - die totaal tegengestelde paden in het leven gekozen hebben - maar van wie de gedeelde opvoeding een band schept. Maar wat hij niet wist, kan Nikos het leven kosten...
Autoren/Hrsg.
Weitere Infos & Material
Hoofdstuk 1
‘IK BEN NIET ALS MOORDENAAR GEBOREN - het leven heeft me zo gemaakt.’ Nikos Papadopoulos zweeg even en probeerde een reactie te horen. Wanneer hij dacht wat gegrom te horen, ging hij verder. ‘Hoor je me?’ fluisterde hij van waar hij op de aarden vloer lag. ‘Ik kan niet luider spreken. Anders horen ze ons misschien.’ Hij zweeg opnieuw. ‘Ik weet dat je er bent. Ik heb je gisteravond horen schreeuwen. Ik vrees dat het vandaag afgelopen zal zijn voor mij. Ze zijn me gisteren komen halen om me naar de kelder te brengen. Jij was er toch ook, hé? Ze moeten jou gemarteld hebben tot je gek werd, net als mij. Ik moet aan iemand vertellen waarom ik zoveel mensen vermoord heb, voor ze me executeren.’ Hij nam een momentje, slikte en boog zich dichter naar de spleet onder de deur. ‘Er was altijd een reden voor. Gun me de bekentenis van een stervende. Ik beloof dat niemand me zal horen en dat niemand ons zal straffen.’
Hij moest met iemand praten; die grote behoefte voelde alsof er een soort zuivering op zou volgen, waarna hij ten hemel op zou stijgen. Alsof de Heer al zijn zonden weg zou wassen voor ze hem doodden.
Hij was na verschillende ontsnappingspogingen als straf aan handen en voeten vastgebonden. Hij had wonden op zijn lichaam van de elektrische schokken en zijn ongewassen haar was broos geworden met de tijd. Ze hadden hem opgesloten tot ze hem gebroken hadden en wachtten op het moment waarop hij zou praten over wat hij wist.
Hij hoorde wat leek op naderende voetstappen. Hij krabbelde recht en haastte zich naar de verste hoek. Ze mochten niet doorkrijgen dat hij met iemand anders probeerde te communiceren. Dat was te gevaarlijk. Na een tijdje voelde hij zich veilig, keerde terug naar de opening en hield zijn mond er zo dicht mogelijk bij.
Nikos debiteerde zo goed mogelijk wat hij wist dat de waarheid was.
Ik ben zesendertig jaar geleden geboren in Piraeus. Mijn broer, Kostas, was drie minuten ouder. We vertoonden allebei symptomen van verslaving, aangezien onze moeder, Kiki, een drugverslaafde was. We moesten wekenlang in het ziekenhuis blijven tot de dokters bevestigden dat het gevaar geweken was en er geen sporen meer van drugs in ons lichaam waren.
We bleven er zo lang dat Kiki vergeten was dat ze ons gebaard had en ons daar achterliet.
Alles voelt in mijn geest als een vage droom vol wit, zoals de schorten van de verpleegsters, en de geur van alcohol.
We brachten de eerste vijf jaar van ons leven door in de gangen van de materniteit. De verpleegsters waren onze moeders, de dokters onze vaders en andere kinderen zoals wij waren onze broers en zussen. Met elke dag die voorbijging werden we jaloerser op de zieke kinderen in het ziekenhuis, omdat zij ouders hadden en wij niet. Ze voelden liefde en de warmte van een gezin in hun kamer en wij niet. In onze dromen bedotten we iedereen en gingen in een bed liggen, alsof we ziek waren, en sommigen van onze ouders kregen medelijden met ons en namen ons mee naar huis. Zo voelden we ons soms als het regende, als het koud was en er bliksems door de hemel schoten, en wanneer we een nachtmerrie hadden, als achtergelaten huisdieren.
Er waren ook nieuwe kinderen en omdat ze nergens heen konden, bleven ze daar lange tijd bij ons. Ik weet nog dat George de naam van mijn eerste vriend was. Hij was ouder dan ik. Het enige wat ik me nog van zijn gezicht herinner, was een groot blauw oog. Hoe hij er verder uitzag, is wazig in mijn geest.
We speelden en lachten en zo werd hij onderdeel van ons ziekenhuisgezinnetje. Hij had tegen me gezegd dat het beter was dat hij zou sterven dan dat hij terug naar huis moest. Toen ik hem vroeg wat sterven betekende, zei hij dat het een gevoel van geluk en vrijheid is en dat niemand je nog kwaad kan doen. Het enige probleem was dat je nooit meer wakker wordt en dat je er kort voor pijn kan lijden. Ik vroeg me af hoe je kon slapen en nooit meer wakker worden, dus vroeg ik het aan een verpleegster. Maar zodra ik de vraag gesteld had, leek ze bang te worden en trommelde ze iemand op om op George te passen. Daarna praatte George niet meer tegen me. Ik had zijn geheim verklapt. Maar ik had tot op dat moment nooit begrepen wat het betekende om iets geheim te houden. Zelfs Kostas was kwaad op me en hij wilde George niet eens in de buurt.
Kostas had nooit de behoefte om de eerste stap naar een nieuwe vriendschap te zetten. Hij hoefde zelfs niet te proberen. Soms had ik het gevoel dat Kostas zo sympathiek was dat hij wel een magneet leek die mensen aantrok, ook al zagen we er eender uit. Ons karakter was zo verschillend. Als ik iemand ontmoette, duurde het even voor ik uitgemaakt had of ik met die persoon wilde praten. Ik ben altijd al afwachtend geweest en soms afstandelijk, en dat ben ik nog steeds.
Telkens er vertegenwoordigers van overheidsinstellingen kwamen, waren ze het ermee eens dat dit geen leven voor ons was, trokken de deur achter zich dicht en keken nooit meer om. Ik heb eens gehoord dat niemand ons wilde, omdat we verslaafd geboren waren. Ik begreep niet meteen wat ze daarmee bedoelden, maar het werd me pijnlijk duidelijk toen ik opgroeide.
Wij vonden dat echter niet zo erg. Onze grootste angst was niet dat we in het ziekenhuis zouden blijven tot we achttien waren. Onze grootste angst was dat we gescheiden zouden worden.
Lila, een van onze verpleegsters, was de bijzonderste van hen allemaal. Zij was aardig tegen ons. Lila heeft ons zelfs onze naam gegeven. Naar haar jeugdliefde heeft ze mij Nikos genoemd en mijn broer kreeg de naam van haar echtgenoot: Kostas. We waren “de mannen van haar leven” en voor ons was die verpleegster de vrouw die het dichtst een moeder benaderde. Ze kwam altijd wat vroeger om ons te zien en met ons te spelen. Ze bracht soms snoepjes mee en tijdens haar pauzes hield ze ons gezelschap. Een kleine, mollige vrouw met bruin haar dat altijd in een paardenstaart was. Haar wangen waren robijnrood en ze had bruine, amandelvormige ogen. Ze was perfect voor mij.
Doordat we niet wisten hoe het was om in een echt huis te wonen, moesten we ons wel neerleggen bij wonen in een ziekenhuis in Griekenland in het begin van de jaren 70. Het leek aanvaardbaar en, af en toe, verstikkend. Aangezien we een tweeling waren, vonden artsen ons interessant, wat wij fijn vonden.
Elke dag leek daar hetzelfde. Het enige verschil was dat ze rond Kerstmis de kamers versierden; als een kind zijn speelgoed in het ziekenhuis vergat, mochten wij het houden. Op zulke momenten waren we even in de wolken en vergaten we ons , eenzame leven.
Na al die jaren mag ik dan al veel beelden vergeten zijn, maar ik herinner me wel emoties en geuren. Ik herinner me dat we naar buiten, naar het binnenplein gingen, en verse lucht konden inademen. De lentegeuren bedwelmden mijn geest en ik droomde dat we ooit weg zouden gaan en geweldige dingen zouden bereiken. We zouden piloot worden en over het ziekenhuis vliegen. We zouden berichten schrijven met onze rook en de verpleegsters zouden ze zien en lachen. Dat is wat we wilden: anderen aan het lachen maken.
We moesten altijd rustig en gehoorzaam zijn om niemand boos te maken. Anders hing het dreigement van de manager, dat twee wezen zoals wij nooit iemand zouden vinden die ons samen wilde en dat we gescheiden zouden worden, ons altijd boven het hoofd.
Zoals ik al zei, was dat de echte nachtmerrie.
Op een dag kwam er een meisje aan dat Katerina heette. Ik herinner me haar gezicht niet, alleen haar naam en dat ze er lief uitzag. Een politieagent bracht haar binnen, omdat ze van thuis weggelopen was. Aangezien dit ziekenhuis het dichtste in de buurt was, besloot de politie haar naar ons te brengen. Net als ik was ze zes jaar oud en bang om tegen iemand te praten. Ze had zich opgerold in een hoekje van de kamer en zong continu dezelfde melodie, die ik soms nog in mijn dromen hoor. In tegenstelling tot Kostas, die het niets kon schelen, wilde ik met haar praten. Toen ik haar benaderde, deed de angst in haar ogen me vertragen. Ik ging naast haar zitten en na een tijdje aanvaardde ze me zwijgend, ook al was haar angst niet verdwenen.
Toen kwam een verpleegster de kamer van Katerina binnen met eten. De verpleegster liep op haar af en Katerina schreeuwde en kromp ineen. In paniek door haar geschreeuw zette de verpleegster snel het eten op de tafel en vluchtte weg. Op dat moment begreep ik wat het betekende als je een luide stem hebt.
Mijn broer dook zijn bed in en bedekte zijn oren om haar niet te horen.
Ik ging niet weg. Ik bleef kalm en bekeek haar zonder een woord te zeggen. Uiteindelijk bedaarde ze en ik bracht het bord met eten naar haar. Ze moet uitgehongerd geweest zijn, want ze at gulzig en ik had amper de tijd om nieuwe happen aan de vork te steken.
Na het eten probeerde ze te praten met een stem die uit de diepste krochten van haar ziel leek te komen. Ze bedankte me en zei verder niets. Tot ze haar weer weghaalden, bleef ze steeds aan mijn zij, wat Kostas ergerde - we maakten daar ruzie over. Het was de eerste keer dat hij zo kwaad op me was dat de verpleegster moest komen om ons uit elkaar te halen.
Ik voelde me afschuwelijk toen Katerina vertrok, maar Kostas was blij, want hij had zijn broer terug. Na een tijd kwam ze terug, maar ze zag er slechter uit dan de vorige keer. Katerina staarde urenlang in het luchtledige. Hoe meer ik haar vroeg wat er gebeurd was, hoe meer ze zich voor me afsloot. Toen Katerina zich uiteindelijk meer op haar gemak voelde, liet ze me haar benen zien.
Iemand had ze verbrand.
Het moet met een sigaret geweest zijn. Ze wilde me niet vertellen wie het gedaan had en waarom, of waar haar ouders waren en...




