Alcott | De kostschool van meneer Beer | E-Book | www.sack.de
E-Book

E-Book, Dutch, Flemish, Band 3, 131 Seiten

Reihe: Onder moeders vleugels

Alcott De kostschool van meneer Beer


1. Auflage 2018
ISBN: 978-87-26-11924-4
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark

E-Book, Dutch, Flemish, Band 3, 131 Seiten

Reihe: Onder moeders vleugels

ISBN: 978-87-26-11924-4
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark



De kostschool van meneer Beer is het derde deel in de reeks van Louisa May Alcott over de zussen Jo, Meg en Beth. In dit deel volgen we de leerlingen op de school van het echtpaar Beer. De zoons van Jo gaan ook naar deze school. Het gaat er op deze school niet zo streng aan toe als op andere scholen. De leerlingen moeten voor dieren zorgen en in de tuin werken, en krijgen veel vrijheid. Elke zaterdag is er een kussengevecht. Voor de kinderen is dit een prettige, speelse manier van leren, als is er ook wel eens ruzie. Louisa May Alcott (1832-1888) schreef ook voor volwassenen, maar had vooral veel succes als schrijfster van kinderboeken. Haar bekendste werk is Little Women, een autobiografische roman die nog twee vervolgboeken kreeg, en talloze malen bewerkt is tot toneelstukken en films. Alcott was ook politiek zeer actief en maakte zich onder andere sterk voor vrouwenrechten en afschaffing van de slavernij.

Alcott De kostschool van meneer Beer jetzt bestellen!

Weitere Infos & Material


HOOFDSTUK I.
Hans. ‘Meneer, mag ik u eens vragen of het hier Rozenlust is?’ vroeg een armoedig gekleed jongetje aan een knecht, die het groote hek openmaakte, toen de diligence stilhield. ‘Ja, dat is hier; wie heeft je hierheen gezonden?’ ‘Meneer Leonard; ik moet een brief aan Mevrouw geven.’ ‘Dan is 't in orde; ga maar naar het huis en doe je boodschap; je zult goed ontvangen worden, kereltje!’ Die woorden klonken vriendelijk en de jongen ging opgelucht den tuin in. Door een lenteregen heen, die zachtjes neerviel op het jonge gras en op de ontluikende knoppen van de boomen, zag Hans een groot vierkant huis voor zich - een recht gezellig huis, met een ouderwetsche deur, breede trappen er voor, en met groote ramen, waaruit het lamplicht hem tegenstraalde. De gordijnen of blinden waren nog niet gesloten en toen Hans, vóór hij aanschelde, naar binnen keek, zag hij allerlei kleine schaduwbeelden tegen den muur dansen, hoorde het prettige geluid van jongensstemmen en kon maar niet gelooven dat zoo'n arm eenzaam kereltje als hij was, zich ooit thuis zou gevoelen in die lichte en warme omgeving. ‘O, als Mevrouw me toch eens goed wilde ontvangen!’ dacht hij en trok heel bescheiden aan den schelknop, die een goedige drakenkop voorstelde. De meid keek hem ook al vriendelijk aan, toen zij den brief nam, dien hij haar zonder iets te zeggen overreikte. Zij scheen er wel aan gewoon zulke vreemde jongetjes binnen te laten, want zij wees hem een bank in de gang aan en zei met een knikje: ‘Ga daar zitten, en druip maar even uit op de mat, dan zal ik de boodschap aan Mevrouw geven.’ Wat was er veel voor Hans te zien, terwijl hij daar zat te wachten en wat keek hij nieuwsgierig rond; heel blij, in een donker hoekje bij de deur te zitten, zoodat hij zelf niet gezien kon worden. Het scheen in het huis te krioelen van kleine jongens, die zich nu, tusschen licht en donker, met allerlei soort van spelletjes vermaakten. Overal waren er jongens, boven en beneden; van allerlei grootte en met allerlei spelletjes - om niet te zeggen met allerlei kattekwaad - bezig. De deuren stonden open en in de twee groote kamers rechts, die waarschijnlijk voor schoolkamers dienden, om de lessenaars en kaarten en boeken en groote, zwarte borden die er in waren, zag Hans een paar luiaards van jongens languit op hun rug op den grond liggen, terwijl ze met zoo veel drukte over een nieuw aan te leggen crocketveld spraken, dat hun gelaarsde voeten in de lucht heen en weer zwaaiden. In een hoek stond een groote jongen op de ?uit te spelen, zonder zich door al het lawaai om hem heen te laten storen. Twee of drie andere jongens sprongen over de lessenaars en hielden alleen nu en dan eens even op, om adem te scheppen of om te lachen over de gekke ?guren, die een klein ventje op een zwart bord stond te toekenen: caricaturen van de heele huishouding. In de kamer links was een lange tafel gedekt, waarop groote kannen melk, bakken vol boterhammen en heele stapels gesneden koek gereed stonden; ook was er een geurtje van gebraden appels in de lucht, dat voor een hongerig maagje en neusje al heel verleidelijk was. Maar het prettigst van alles zag toch de gang er uit; in éénen hoek werd er met knikkers, in een anderen met tollen gespeeld; op de trappen zat een jongetje te lezen en een meisje haar pop in slaap te zingen; verder was de trap nog bezet door twee jonge hondjes en een poes, die deftig zaten toe te kijken naar eene reeks van kleine jongens, die zich beurt om beurt van de trapleuning lieten glijden, met groot gevaar voor hun kleeren en ledematen. Dit spelletje vond Hans zoo aardig, dat hij al meer en meer uit zijn boek te voorschijn kwam. Een van de wilde glijders had zulk een vaart gekregen, dat hij niet op kon houden, maar pardoes op den grond viel met een schok, zóó hevig, dat elk ander hoofd er door gebarsten zou zijn, behalve het zijne, dat door elf jaren lang stooten en vallen zoo hard als een kanonskogel geworden was. Hans vergat zichzelf heelemaal en liep naar den gevallen ruiter toe, niet anders denkende, dan dat hij half dood zou zijn. Maar de jongen wreef heel even met de hand door zijn haar, bleef kalm liggen, keek bedaard het vreemde gezicht aan en zei heel verwonderd: Nou?’ ‘Nou!’ antwoordde Hans, die niet wist wat hij zeggen zou en dit antwoord nog al kort en krachtig vond. ‘Ben jij een nieuwe jongen?’ vroeg de gevallen ruiter, zonder zich te bewegen. ‘Dat weet ik nog niet.’ ‘Hoe heet je?’ ‘Hans Bleeker.’ ‘Ik heet Tom Blommers; wil je mee doen? ga dan maar naar boven,’ en Tom sprong in eens op om zijn gast voor te gaan. ‘Ik geloof dat ik maar wachten zal tot ik weet of ik hier blijven mag,’ antwoordde Hans, hoewel hij er meer en meer lust in kreeg.   ‘Zeg eens, Rolf, hier heb je een nieuwe jongen; kom eens bij hem!’ en de wilde Tom ging weer met nieuwen moed aan zijn spel. De jongen, die op de trap zat te lezen, keek met zijn groote bruine oogen van het boek op en, na zich een oogenblik bedacht te hebben, alsof hij een beetje verlegen was, nam hij zijn boek onder den arm en stapte deftig op den nieuweling toe. ‘Heb je tante Jo al gezien?’ vroeg hij alsof dat iets van groot belang was. ‘Ik heb alleen nog maar jongens gezien; ik wacht hier maar.’ ‘Ben je door oom Leo hierheen gezonden?’ ging Rolf voort, beleefd maar ernstig. ‘Meneer Leonard heeft me hierheen gestuurd.’ ‘Dat is oom Leo; hij zendt altijd aardige jongens.’ Hans keek heel vergenoegd bij deze opmerking en er kwam zelfs een glimlach op zijn mager, zacht gezichtje, maar hij wist niet wat hij antwoorden zou; de twee stonden elkander dus zonder iets te zeggen aan te staren, totdat het kleine meisje, met de pop in den arm, naar hen toe kwam. Zij geleek heel veel op Rolf, maar was een beetje kleiner en had een ronder, frisscher, gezichtje en blauwe oogen. ‘Hier is nu mijn zusje Roosje,’ zei Rolf, alsof hij iets heel kostbaars en bijzonders vertoonde. De kinderen knikten elkander toe en het gezicht van het meisje glom van plezier, toen ze met haar lief stemmetje zei: ‘Ik hoop dat je blijven moogt; het is hier zoo prettig, eigenlijk wel de prettigste plaats op de wereld, vindt je niet, Rolf?’ ‘Neen, ik zou nog liever in Groenland wonen, waar de ijsbergen en walvisschen zijn; maar ik houd toch ook heel veel van Rozenlust; o, ja het is hier heel pleizierig om te wonen,’ antwoordde Rolf, die juist bezig was een boek over Groenland te lezen. Hij wilde net de prentjes aan Hans laten zien, toen de meid terugkwam en hem vroolijk toeriep: ‘Het is in orde; je moogt blijven.’ ‘O wat ben ik blij; ga nu maar mee naar tante Jo,’ zei Roosje, terwijl ze Hans zoo vertrouwelijk een handje gaf, dat hij zich heelemaal thuis gevoelde. Rolf ging weer in zijn boek lezen, terwijl zijn zusje den nieuwen jongen naar een achterkamer geleidde, waar een zwaarlijvig heer op een sofa met twee kleine jongetjes aan 't stoeien was en een lange, slanke dame bezig was, den brief van Mr. Leo nog eens over te lezen. ‘Tante, tante, hier is hij!’ riep Roosje. ‘Komaan, is dit nu mijn nieuwe jongen? Ik ben blij dat je gekomen bent, en ik hoop maar dat het je hie bevallen zal,’ zei de lieve dame, trok hem naar zich toe en streek zachtjes met de hand over zijn haar, alsof ze zijn eigen moeder was, - en het eenzame, kleine hartje van Hans voelde ineens dat het van iemand hield. Die mevrouw had een heel prettig gezicht, zoodat alle jongens zich dadelijk op hun gemak met haar voelden. Zij zag wel dat Hans op het punt stond te schreien van verlegenheid, en daarom trok zij het uitgeputte ventje nog dichter naar zich toe. ‘Kijk nu eens hier: ik ben moeder Beer, die mijnheer is vader Beer en dit zijn de twee jonge Beertjes. Komt, jongens, zegt Hans eens goeden dag,’ De drie wildzangen gehoorzaamden dadelijk, en de dikke heer, met een dik kind op elken schouder, kwam naar den nieuweling toe. Rob en Eddie lachten zonder iets te zeggen, maar Mr. Beer gaf hem de hand en wees hem een laag stoeltje bij het vuur aan, met de hartelijke woorden: ‘Je stoel staat al klaar, mijn zoon, ga maar zitten en warm je voeten eens; zijn ze ook nat?’ ‘Of ze ook nat zijn! Een, twee, drie, je schoenen uit, mijn jongen, en in een ommezien zal ik droge voor je krijgen,’ riep Mevrouw, die zoo vlug was, dat Hans voor hij 't zelf wist in een zacht klein stoeltje voor het vuur zat met droge kousen en lekker warme pantoffels aan. Hij zei maar niets anders dan: ‘Dank u, Mevrouw, dank u,’ en Mevrouw kon het hem wel aanzien, dat hij dankbaar was. ‘Het zijn de pantoffels van Tom Blommers,’ zeide zij, ‘hij vergeet altijd ze aan te doen; daarom heb ik ze maar weggenomen. Ze zijn je wel wat te groot, maar dat is juist goed, dan kun je niet zoo gemakkelijk van ons wegloopen.’ ‘O Mevrouw, ik heb niets geen lust om van u weg te loopen,’ zei Hans, strekte zijn magere handen voor het vuur uit en keek recht vergenoegd uit zijn oogen. ‘Dan is 't goed! Nu zullen we je eens goed koesteren en probeeren je van dien leelijken hoest af te helpen. Hoe lang heb je al gehoest, mijn jongen?’ vroeg Mevrouw. ‘Den heelen winter door. Ik heb kou gevat en kan maar niet beter...



Ihre Fragen, Wünsche oder Anmerkungen
Vorname*
Nachname*
Ihre E-Mail-Adresse*
Kundennr.
Ihre Nachricht*
Lediglich mit * gekennzeichnete Felder sind Pflichtfelder.
Wenn Sie die im Kontaktformular eingegebenen Daten durch Klick auf den nachfolgenden Button übersenden, erklären Sie sich damit einverstanden, dass wir Ihr Angaben für die Beantwortung Ihrer Anfrage verwenden. Selbstverständlich werden Ihre Daten vertraulich behandelt und nicht an Dritte weitergegeben. Sie können der Verwendung Ihrer Daten jederzeit widersprechen. Das Datenhandling bei Sack Fachmedien erklären wir Ihnen in unserer Datenschutzerklärung.