E-Book, Dutch, Flemish, 684 Seiten
Reihe: World Classics
Dumas De drie musketiers
1. Auflage 2018
ISBN: 978-87-26-11999-2
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
E-Book, Dutch, Flemish, 684 Seiten
Reihe: World Classics
ISBN: 978-87-26-11999-2
Verlag: SAGA Egmont
Format: EPUB
Kopierschutz: 6 - ePub Watermark
De jonge, avontuurlijke d'Artagnan vormt samen met zijn vrienden Athos, Portos en Aramis de Musketiers, het elitecorps van de Franse koning. De Drie Musketiers is een vurige verhaal vol drama, humor, liefdesaffaires en dodelijk machtsspel aan het Franse hof. Het is de meest bekende en populaire roman van de grote Franse schrijver Alexandre Dumas - op de voet gevolgd door het meer sinistere 'De Graaf van Monte Christo'. Over de romans van Dumas schreef de Britse auteur en historicus Simon Sebag Montefiore: 'Ze blijven niet alleen tijdloos, ze zijn ook universeel.' 'De Drie Musketiers' is sinds 1916 al meer dan 20 keer verfilmd, en slechts in enkele gevallen is men erin geslaagd om de tijdloze vitaliteit van Alexandre Dumas' roman over te brengen. Alexandre Dumas (1802-1870) is een van de meest gelezen Franse schrijvers. Zijn avontuurlijke historische romans, waaronder het zeer beroemde De Drie Musketiers, werden oorspronkelijk als feuilleton gepubliceerd.
Weitere Infos & Material
I.
De drie geschenken van mijnheer D’Artagnan Sr. OP den eersten Maandag in April van het jaar 1625 scheen de stad Meung zich in een staat van omwenteling te bevinden, alsof de Hugenoten er waren binnen gerukt om van de stad een tweede La Rochelle te maken. Verscheidene burgers haastten zich, bij het schouwspel der in de richting van de hoofdstraat vluchtende vrouwen, der op de stoepen en drempels schreiende kinderen, het harnas aan te trekken en aan hun weinig heldhaftige houding door een musket of partisaan1) gewicht bij te zetten, om vervolgens zich te spoeden in de richting van de herberg „Franc-Meunier”, waar de dicht opeengepakte, rumoerige, nieuwsgierige menigte van oogenblik tot oogenblik nog scheen aan te groeien. Zulke plotselinge panieken waren destijds aan de orde van den dag en er ging geen week voorbij zonder dat de een of andere stad een gebeurtenis van dien aard in haar annalen te vermelden kreeg. Daar waren immers allereerst de aldoor met elkaar overhoop liggende groote heeren, vervolgens de koning in oorlog tegen den kardinaal en ten slotte Spanje in oorlog tegen den koning. En behalve al die openlijke of verkapte, erkende of heimelijke oorlogen, waren er verder nog de algemeene vijanden: dieven, bedelaars, Hugenoten, wolven en … de lakeien van de groote heeren! De burgerij hield zich altijd gewapend tegen de dieven, de wolven en de lakeien — dikwijls tegen de groote heeren en de Hugenoten — somtijds tegen den koning — maar nooit tegen den kardinaal of tegen Spanje. En het gevolg van deze gewoonten was, dat op dien gedenkwaardigen eersten Maandag in April van het jaar 1625 de opgeschrikte burgers hun schreden richtten naar de herberg Franc-Meunier —, waar de oorzaak van het kabaal zich al spoedig openbaarde in de gedaante van een jongen man. Deze jonge man … doch schetsen we eerst in vluchtige voortrekken zijn uiterlijk, en denk u dan een Don-Quichotte van een jaar of achttien —, maar een Don-Quichotte zonder kolder, zonder halsberg, zonder beenstukken 2), doch gekleed in een witten wambuis, oorspronkelijk blauw, doch versleten tot een tusschen wijndroesem en hemelkleur zwevende onbepaalde tint, het gezicht langwerpig en gebruind, met uitstekende jukbeenderen — teeken van slimheid! — en aan de buitengewoon ontwikkelde kaakspieren onmiddellijk te herkennen als Gasconjer, zelfs zonder baret.… doch ons jongmensch droeg er wel een, met een soort pluim erop. Een verstandige, openhartige oogopslag, een gebogen, doch fijngeteekende neus, te groot voor een jongeling, te klein voor een man —, de oppervlakkige toeschouwer had hem voor een reizenden boerenzoon kunnen houden zonder den langen degen aan een leeren riem die bij het gaan zijn eigenaar tegen de beenen en bij het rijden het paard tegen de ruige flanken sloeg. Want onze held bezat een paard — en wel een zoo in het oog vallend paard, dat het dan ook inderdaad in het oog viel: een Gasconsche hit van twaalf à veertien jaar oud, oranje-geel van kleur, zonder manen of staart, maar niet zonder zweren aan de pooten, doch die intusschen, al liet hij dan onder het loopen den kop nog lager dan de knieën hangen — wat trouwens alweer een teugel bespaarde! — nog geregeld elken dag zijn acht mijlen aflegde. Ongelukkigerwijs echter zaten die goede eigenschappen zóó diep verborgen onder zijn onooglijke huid, zijn dwaas uiterlijk, dat in een tijd waarin iedereen min of meer kijk op paarden had, het verschijnen van gezegde hit in Meung, waar hij ongeveer een kwartier geleden door de poort van Beaugency was binnengekomen, een opzien baarde, den berijder allerminst aangenaam! En dit was voor den jongen D’Artagnan — zoo heette de Don-Quichotte van deze tweede Rosinant! — te pijnlijker omdat hijzelf wel wist hoe belachelijk een dergelijke knol hem maakte, mocht hij nog zoo’n kranig ruiter zijn, en hij had dan ook dit geschenk van papa D’Artagnan niet zonder een diepe zucht aanvaard —, doch al was het beestje zelf niet meer waard dan een twintig francs, de woorden, waarmee het geschenk vergezeld was gegaan, maakten het onbetaalbaar! Mijn zoon — aldus had de Gasconsche edelman gesproken — mijn zoon, dit paard is in uw vaders huis geboren, en heeft er nu bijna dertien jaar in doorgebracht, houd het dus in eere! Verkoop het nooit, laat het rustig en waardig van ouderdom sterven en trek je er mee in den oorlog, ontzie het dan, zooals je een ouden, trouwen dienaar zoudt ontzien. Mocht je ooit — aldus vervolgde papa D’Artagnan — mocht je ooit de eer hebben aan het hof te verkeeren, waar je oude, adellijke afkomst je volkomen recht op geeft, waak dan voor de eer van de edele vaan, die je edele voorouders meer dan vijf honderd jaar gedragen hebben, voor je eigen eer en voor die van je verwanten en vrienden. Verdraag van niemand iets, behalve van den kardinaal en van den koning. In de tijden die we nu beleven kan een edelman niet alleen carrière maken door zijn dapperheid. Wie één seconde beeft ziet zich wellicht voor altijd de gunsten ontgaan die de Fortuin hem toereikte juist in die ééne seconde. Je bent jong en je hebt twee redenen om dapper te zijn: ten eerste ben je Gascon jer en ten tweede ben je mijn zoon. Grijp de gelegenheid aan, stort je in het avontuur; met den degen heb ik je leeren omgaan, je hebt een pols van staal, ijzeren beenspieren … duelleer zooveel je maar kunt, duelleer bij de geringste aanleiding … juist nu het duel is verboden, en er dus dubbelen moed toe behoort om het te durven! Meer dan mijn goeden raad, dit paard, en deze vijftien zilverstukken kan ik je helaas niet meegeven, mijn zoon, van je moeder krijg je nog een recept voor een zekere zalf, dat een Zigeunerin haar heeft gegeven, een zalf van wonderbare geneeskracht voor alle wonden die het hart niet raken. Doe je voordeel met wat je bezit en leef lang en gelukkig! Een enkel woord nog, een voorbeeld dat ik je stellen wil! Niet het mijne, want ik ben nooit aan het Hof geweest en heb in geen andere dan godsdienstoorlogen als vrijwilliger meegevochten —, ik spreek van mijnheer De Tréville. Hij was vroeger mijn buurman en heeft in zijn prille jeugd de eer gehad te mogen spelen met onzen koning Lodewijk XIII, dien God behoede! Somwijlen liep het spel op een vechtpartij uit en de koning was niet altijd de sterkste en kreeg dan klappen, en daardoor heeft hij altijd veel vriendschap en achting voor mijnheer De Tréville behouden. Diezelfde mijnheer De Tréville heeft op zijn eerste reis naar Parijs vijf keer geduelleerd; na den dood van den anderen koning, gedurende de minderjarigheid van den jongen, zeven keer, ongerekend veldslagen en belegeringen, en sinds de meerderjarigheid van den koning misschien honderd keer! Welnu, ondanks alle edicten, afkondigingen en bedreigingen tegen het duel, is hij nu Kapitein van de musketiers, dat wil zeggen, chef van een keur-legioen, dat hoog in de gunst staat bij den koning, en waar de kardinaal bang voor is —, en die is niet gauw bang! Hij heeft daarbij een jaarlijksch inkomen van twee duizend zilveren daalders en leeft dus als een groot heer. Hij is met niets meer begonnen dan jij —, breng hem een bezoek, geef hem dezen brief —, doe als hij, opdat je moogt worden als hij! Met deze woorden gespte papa D’Artagnan zijn zoon zijn eigen degen om, kuste hem op beide wangen en gaf hem zijn zegen. De zoon begaf zich naar zijn moeder die hem wachtte met het fameuze recept dat, in verband met de vaderlijke raadgevingen, hierboven vermeld, waarschijnlijk nogal eens dienst zou moeten doen. Het afscheid was ditmaal langer en teederder —, niet omdat papa D’Artagnan zijn zoon en eenig kind minder liefhad, maar omdat papa D’Artagnan man was en het den man onwaardig zou hebben geacht, zijn gevoel te veel te toonen —, mevrouw D’Artagnan daarentegen was vrouw en bovendien moeder. Haar tranen vloeiden overvloedig en, het zij tot eer van den jongen D’Artagnan vermeld, welk een moeite hij ook deed zich te gedragen zooals een toekomstig musketier betaamt, de zijne evenzeer. Nog denzelfden dag begaf zich de jonge man op weg, voorzien van de drie vaderlijke geschenken, te weten: de vijftien zilverstukken, het paard en den brief voor mijnheer De Tréville —, de raadgevingen had hij, zooals men ziet, op den koop toe gekregen — en met een dergelijke uitrusting vormde D’Artagnan, physiek zoowel als moreel, een getrouwe copy van Don-Quichotte, met wien we hem zooeven zoo gelukkig hebben vergeleken. Zooals Don-Quichotte windmolens voor reuzen en kudden schapen voor legers aanzag, zoo zag onze jonge held elken glimlach voor een beleediging en elken blik voor een uitdaging aan —, tengevolge waarvan hij den weg van Tarbes naar Meung aflegde met schier voortdurend gebalde vuisten en gemiddeld tien keer per dag de hand aan het gevest van zijn degen sloeg —, zonder dat echter die vuisten neerkwamen op iemands gezicht of de degen de schede verliet. Want weliswaar riep het ongelukkige uiterlijk van den armzaligen hit op menig gelaat een glimlach te voorschijn —, maar de aanblik van den langen, rinkelenden degen boven den hit en van een schitterend oog, schoon meer woedend dan fier, boven den degen, temperde de vroolijkheid of beperkte ze tot één zijde van het gezicht, als bij de maskers der Oudheid. Aldus was dan D’Artagnan in zijn lichtgeraakte majesteit ongekwetst gebleven tot aan dat ongelukkige Meung. Afgestapt aan de deur van het hotel „Franc-Meunier” zonder dat iemand, waard, knecht of staljongen, de teugels van zijn paard was komen overnemen, bemerkte hij ineens aan het half-open benedenvenster een edelman, van fraaien lichaamsbouw en hooghartig, ofschoon eenigszins stug uiterlijk, in gesprek met twee anderen, die blijkbaar vol ontzag naar hem luisterden, onmiddellijk waande hij zich als gewoonlijk het onderwerp van gesprek en bleef luisteren. Ditmaal vergiste hij zich maar ten...




